vrijdag 10 november 2017

Perpetuum mobile



Het is een illusie om te denken dat je op je lauweren kan rusten, of kabbelend voortborduurt op datgene wat er binnen handbereik ligt. Heb net willekeurige bijdragen herlezen en gebladerd in een verleden tijd. Mopper mopper. Moe. Bloggen wanneer je wil mopperen op de wereld. Of bloggen omdat je van je hart geen moordkuil maakt. Clichés tieren welig als een caleidoscoop van vergaarde kennis waar herhaling en vertekend beeld elkaar de pas afsnijden of net aanvullen.

Het besef te leven kwam altijd voort uit de geest, uit dat wat er in gedachten maalde. Ik denk, dus ik besta. Ik pieker, dus ik besta. We worden ouder, komen dichter bij de eindigheid van ons nietig leven. Kijk, dat woordje 'nietig' schrijf ik louter omdat het voor een prettig ritme in de zin zorgt. Als je het hardop leest. Zo nietig vind ik het leven namelijk niet. Het is alomvattend, soms. En rijk gevuld.

Soms wil ik dit blog verfrommelen en in een digitale prullenbak gooien. Om de prop er na enige minuten bedenktijd weer uit te halen, en zo netjes mogelijk glad te strijken. De plooien in ons leven, ons verleden, ze hoeven niet gladgestreken. Het is zoals het is. Zoals het was.

Het avontuur lonkt. Dit huis waar ik woon, er is iemand die heel enthousiast reageerde en zei, als je hier ooit weggaat, dan willen wij hier wel komen wonen. Dat is mooi om te weten, en het deed me gelijk weer denken of dromen van teruggaan naar de vallei. Maar er zijn altijd dingen die eerst moeten, eerst moeten gebeuren, eerst moeten veranderen, eerst moeten groeien. En zo keten je jezelf aan een rits van voorwaarden die als buffer of reality check pas op de plaats geven. Mwah.

Het voelt alsof er buiten de deur een dik pak sneeuw ligt. Zo verstild is het hier in de keuken, waar ik warm en in het halfdonker een pauze inlas voordat ik verderga met werk. Soms wil je betekenis geven, waar er geen betekenis is. Want van die dagen zijn er. Dat er niets noemenswaardig aan het geestesoog voorbijtrekt. En toch wil je iets van betekenis toevoegen. Vooruit dan maar.

Het gouden zonlicht markeert een zonsondergang, daar waar ik nu vier jaar en twee maanden woon. Ben ik (er) gelukkig? In de ware betekenis van het woord? Of blijft er altijd iets te wensen over?


donderdag 29 september 2016

Stemmingen (1)

Vandaag lijkt het alsof de herfst de overhand neemt. De wind huilt en duldt geen weerstand. Alles moet bewegen. Een paar dagen geleden nam ik deze foto. Een kersenboompje in de tuin. Het is een beetje een zorgenkindje. De andere kerselaar doet het namelijk goed en staat bladerrijk in de grond. Dit boompje heeft de eerste paar maanden in een pot doorgebracht en dat bleek niet zo'n succes. Daarom uiteindelijk toch maar in de grond geplant. Het boompje lijkt het er nog steeds niet mee eens te zijn. Dus overweeg ik wederom een andere plek. Ondertussen zie je wel al talloze knoppen, en kwam er zelfs een bloempje tevoorschijn. Hallo, het is bijna oktober. Het is nog veel te vroeg voor kersenbloesem! Of niet?

Ondanks de wind is het niet koud. En het regent. Zachtjes, alsof ook de regen nog de indruk wil wekken dat het allemaal niet zo ernstig is. Dat we geen kachel nodig hebben of dikke jassen met mutsen en sjaals aan de kapstok. Beelden van jaargetijden en momenten die een typische sfeer en dito herinnering tekenen, schieten zo nu en dan voorbij. Toch is alles anders.

Meestal wil ik ergens over mopperen, als ik dit Bloggerland bezoek. Mopperen of een kritische noot poneren. Van dat laatste zijn echter nog maar zo weinig mensen gediend. Het woest voor de vuist wegtypen zoals ik op social media geregeld zie gebeuren, telt overigens niet mee als kritiek in de meest zuivere betekenis van het begrip. Welnee. Dat zijn slechts uitwassen van de verworden mens. Want ja, dat zijn we. Nu meer dan ooit.




woensdag 28 september 2016

Nazomeren



Het stemt tot (zelf)reflectie. Deze tijden. 2016. Ik pak de schrijfdraad hier morgen weer op.

maandag 8 december 2014

Vleugels


Het is nog steeds een mooie oude kerstengel. Mijn moeder heeft het ergens in de jaren zeventig bij de Hema gekocht. Ik heb het ooit meegenomen omdat het in mijn huis niet weer terug in de doos hoefde na de feestdagen. Heel lang stond ze op diverse plekken mooi te wezen. Maar ik nam een poes in huis. En nog een. En nog een. En nog drie. En nog een. En nog twee. Voor hen was de engel gewoon een obstakel op de schouw. Op een dag lag ze op de grond. Gebroken, maar niet onherstelbaar stuk. "Neem maar mee," zo zei mijn moeder toen ik haar aan de telefoon liet weten dat de poezen de engel een beetje hadden beschadigd. "Je vader lijmt het wel weer netjes vast." Zo gezegd, zo gedaan. Ik zette de engel op de tafel in de achterkamer en mijn vader ging ermee aan de slag. Mijn moeder was in de keuken bezig en ik zat in de huiskamer met de honden. "Het is klaar," zo liet mijn vader weten, "het moet alleen nog even drogen." Oh, ok, zo antwoordde ik. Op een gegeven moment stond ik op om naar de keuken te gaan, en in het passeren wierp ik een blik op de tafel. Ik keek naar de engel en kon mijn ogen niet geloven. Mijn vader was ondertussen in de schuur met iets bezig, en ik riep "snel, snel komen" naar mijn moeder. Ik wees naar de engel en de vleugels en kreeg ineens de slappe lach. Ook mijn moeder barstte in een onbedaarlijk lachen uit. Mijn vader had niets in de gaten, hij was druk bezig in de schuur en kon ons sowieso niet horen (gehoorapparaten niet in). 

De foto hierboven is een soort van reconstructie van hoe hij de vleugeltopjes gelijmd had. Want de engel kreeg een paar maanden geleden namelijk voor de tweede keer een douw, het rechtertopje viel er af. Dat heeft tot vanavond in een la gelegen. Ook de andere kant bleek makkelijk los te halen, dus vanavond, ter illustratie van dit verhaal, heb ik de situatie van toen nagebootst. Dit is wat mijn moeder en ik die bewuste middag zagen. 

Terug naar toen.
Tussen de lachsalvo's door heb ik de topjes los getrokken en op de juiste vleugel geplaatst, ook de overtollige lijm werd weggepoetst. Ik heb toen geen foto gemaakt van wat mijn vader ervan brouwde, omdat ik dacht dat er weinig tijd was in verband met het uitharden van de lijm. Je beseft op zo'n moment overigens echt wel wat er aan de hand is. Alzheimer. Deze ooit zo handige man kon nu niet eens meer iets eenvoudigs als twee vleugeltopjes lijmen. Dat is eigenlijk heel verdrietig, heel triest. Maar het zag er tegelijkertijd ook erg komisch uit. Mijn moeder en ik beginnen nog steeds te lachen als we er aan denken! Het mooie (of trieste) was, dat toen mijn vader weer naar binnen kwam en naar de engel keek om te checken of de lijm was uitgehard, hij helemaal niet door had dat de topjes anders op hun plek zaten. Of liever gezegd, dit keer op de juiste plek. Hij had helemaal niks door. Dat maakte dat mijn moeder en ik opnieuw moesten lachen. De slappe lach, hè. Maar in wezen was het uiteraard helemaal niet komisch, want dit is wat Alzheimer met mensen doet. Het ontneemt ze al hun vaardigheden en kennis, en maakt ze als het ware vleugellam.



donderdag 18 september 2014

Op het treuzelpad (1)


De boom vrijwaarde van de regen in een mooie kleine boog, het fietspad wandelpad treuzelpad (Sascha rechtsboven in beeld treuzelt als haar voetjes nat worden...) wint het even van het water, want natuurlijk sijpelt ongezien voor passanten dat wat droog is gevoeglijk on-droog.

Ja, woorden die nog niet bestaan schieten ineens te binnen, wellicht onder invloed van dit andere Limburg, daar waar men "zeker en vast" en "steeds" anders doet beleven. Taal is levend, nietwaar, als zodanig een legitiem excuus geijkte paden te verlaten, meanderend in de letters van het alfabet. Waarheen het ons brengt. Waarheen het mij brengt.

Ik zag de oude dame met looprek op ons wachten, ik heb haar slechts eenmaal eerder gezien, ze knikte bij wijze van begroeting haar grijs gelokt hoofd. "Ik ben 83," zo antwoordde ze later op mijn vraag hoe oud ze is. Eerder vroeg ze me om hulp, want ze kreeg de brievenbus niet open zonder haar wankel evenwicht in gevaar te brengen. "Ik draag steunkousen," zo wees ze terwijl ze haar rok omhoog hees tot bijna halverwege haar dij. Het lopen gaat haar moeilijk af. In huis durft ze geen stokken meer te gebruiken. Ze kijkt bedenkelijk. Richt haar aandacht op iets anders en vraagt of het dorp me bevalt. Ik geef haar eerlijk antwoord. Ze praat dan weer over het karretje. Ik legde er eerder al de post in, bovenop een gebruikte luier, een deksel van een plastic emmer en nog meer rommel. De honden ruiken aan de luier. Ze kan toch bij vrienden gaan koffiedrinken, even frisse lucht en met het karretje aan de wandel? "Er is niemand, " zo zegt ze. "De mensen hebben nooit tijd en geen zin, dat kan hier niet." Lichtpuntje is er echter toch nog. Ze moet naar de kapper, slechts twintig meter verderop. "Mijn haar is te dik." Ja maar het zijn wel mooie witte krullen. Heel even iets van een glimlach. Allez nog een fijne dag, ze beweegt het looprek de binnenplaats op. 1863 staat er in de poort gehouwen. De honden laveren vervolgens tussen grote en echt heel kleine slakken die hopelijk de overkant halen. Roadkill is er in allerlei soorten en maten.