zondag 29 juni 2014

Wie zaait, die oogst

Oskar kijkt alwetend om half zes in de ochtend. Ik doe zoals de nomaden in Mongolië en luister naar de stemmen van de voorvaderen indien ze tot mijn verbeelding spreken. Mijn overoverovergrootvader Jean François Victor Matheron was van Franse afkomst en zijn vrouw Lydia Graviena Namlohie, waarschijnlijk Moluks (Nanlohy) met een voor die tijd gebruikelijk op z'n Hollands verbasterde naam. Dat geeft te denken op deze regenachtige dag. 

Dit gehucht viert feest vandaag, compleet met rommelmarkt en alle toebehoren van dien. Broodjes bier koffie Belgische worsten en ook voor kinderen en ieder ander elck wat wils. Slechts 100 meter van waar ik woon maar ik blijf er weg. Niks zien is niks overbodig kopen, ook niet voor 50 eurocent (of minder, of meer). Deze dag begon druilerig met manisch bezoek nog voor de klok 9 uur geslagen had. Manisch zorgt voor frictie en woordenwisseling, men is dus duidelijk vergeten medicijnen in te nemen. Telefoon kwijt, alarm gaat niet af dus geen pilletjes op tijd in dat biologisch ontregeld huishouden. Vandaag manisch, morgen gegarandeerd depressief. Tja.

Lezen in "Ik zal nooit meer stout zijn" over jeugdzorg-horror stemt ook niet vrolijker, maar het leest absoluut als een thriller, ja. Het is echter realiteit. In wat voor bizarre wereld leven wij! Er wordt in jeugdzorg-contreien naar mijn gevoel teveel (understatement) en te snel gesmeten met termen als borderline, traumatische stress disorder en al wat nog meer uit die psychiatrische bolhoed stuitert. Ik heb geen kinderen, dus in die context gelukkig ook geen jeugdzorg(en). Ik heb wel te maken gehad met het psychiatrisch en psychologisch circus toen ik 26 jaar was en hyperventileerde. Ik wilde van die hyperventilatie, paniekaanvallen en andere plotse fobieën af. "Een existentiële crisis", zei mijn huisarts die me sinds de babytijd kende en me toen ik 7 was nog pijnlijk in een bil geprikt had omdat ik niet stil bleef zitten. (Enige troost toen waren een zacht kussen bij mijn tante thuis, en mijn nieuwe zwarte fel glimmende laarzen met geborduurde versiersels uit Hongarije. Terwijl de bil pulserende pijnstoten produceerde, boden die laarzen enig soelaas.)

Met een verwijskaart "voor een goed gesprek" toog ik van huisarts naar diverse geestelijke gezondheidsdeskundigen waarvan de laatste twee goede gesprekspartners zijn gebleken, maar de tweede me vooral bevestigde in alles wat ik tegen de psychiatrie en/of geestelijke gezondheidszorg heb. Met mijn cognitieve vermogen of analytische gesteldheid/perceptie was niets mis. Ik zat emotioneel alleen danig aan de grond, dat ik geen greintje weerstand meer had, mijn stalen zenuwen tot pulp vermalen na een hectische -avontuurlijke- zomer in 1989 en wat tropenjaren-gevoel sinds de zelfverkozen dood van mijn jongere broer Freddy in augustus 1987. Ook al wil je het absoluut niet, het is toch van grote invloed op je eigen bestaan, omdat er buiten jezelf ook nog je omgeving is. Dat eerder vernoemde avontuur bestond overigens grotendeels uit reizen met de geest, het denken tot levenskunst verheffend, althans, zo veronderstel je in die jeugdige (hoog)moed. Alles om maar niet te hoeven voelen, zo weet je achteraf, om niet ECHT te hoeven voelen wat er mis is met en in de wereld. Want "het klopte niet."

De druk van derden is voortdurend merkbaar. Waar is de ruimte om echt tot jezelf te komen, ver weg van ruis, rumoer en andermans projectie... Die ruimte was er niet. Dus heb je geen keuze en reageert het lichaam zoals het niet anders kan, uit zelfbescherming. Het levert je over aan die waanzin, die wereld, dat drukke labyrint vol ruis, rumoer en andermans projectie. Wat volgden waren vier moeizame jaren en leren opnieuw vertrouwen te hebben in zelf. Van modus overleven naar modus leven. Van tot onder de bodem gaan naar niet eens meer de oppervlakte verwensen.

Terug naar geestelijke gezondheidsdeskundige #2. A. de B. Natuurlijk associeerde ik de naam meteen met de grappen en grollen van Neerlands Hoop in oh wacht, nee, dat is een ander duo... dus dat hield de papieren zak bij eerste kennismaking fijn in de tas. Toen hij echter zijn vinger in zijn mond stopte en er op begon te zuigen en sabbelen en me daarbij indringend aankeek en vroeg of ik misschien voorstellingen had van dat ik betast werd door onzichtbare entiteiten, toen welde de hyperventilatie allengs heel snel op, evenzo al mijn weerstand om die hyperventilatie de kop in te drukken en rustig te blijven bij zo'n dubbel-gedraaide halve zool!

Potverdorie, dacht ik, terwijl ik mijn ademhalingstechniek probeerde te reguleren en tot honderd telde, potverdorie, zit ik hier in zo'n kamertje met een gediplomeerde randdebiel die kwetsbare mensen over de rand duwt met dat soort rare vragen. NOU MOOI MIJ NIET. Ik gaf zo goed en kwaad als mogelijk antwoord op zijn vragen, waarop hij me een neurolepticum voorschreef. Antipsychotica, dat gaf hij mij. Ik was niet psychotisch, ik had geen waanvoorstellingen, ik had hyperventilatie en wilde daar vanaf. Hoe moeilijk kan dat zijn?

Over het effect van dat medicijn kan ik kort zijn. Zowel mijn linkerhelft als rechterhelft hersenmassa lustten er geen cocktail van. In mijn lichaamseigen chemisch huishouden werd ik me een weerstand gewaar die zich anders dan bij de Prozac (een kuur van 7 dagen voorgeschreven door huisarts, het medicijn was sinds 1987 op de markt; de eerste 4 dagen werkte het als een stofdoek die de depressieve deeltjes verwijderde, tot op dag 5 een van beide hersenhelften heftig tegensputterde en ik subiet stopte) al na 2 dagen manifesteerde. Huppekee, weg met het pleewater, het riool in. Arme vissen en andere waterwezens denk ik nu...

Psychologen en psychiaters, daar zit verschil in. Ik wilde zelf met een psychiater praten omdat deze zich na hun studie geneeskunde specialiseren en dan pas psychiater worden. Indertijd waren het voornamelijk gynnasiumklanten die zich tot geneeskunde en psychiatrie bekeerden. Dus dat in die hoek meer herseninhoud en dus de mogelijkheid tot een goed gesprek zou zijn, dat leek hoogst aannemelijk. De realiteit bewees echter anders. Gelukkig kon ik tussen de hyperventilatie, pleinvrees en andere fobieën door toch nog zelf beslissen wat ik wel en niet wilde, dus werd A. de B. (hij is nog steeds werkzaam in de psychiatrie) bedankt en kwam de volgende deskundige in beeld.

Het was ook mijn tijd uitzitten, toen. Wachten tot de zenuwen zodanig hersteld waren dat ik weer op eigen houtje de wereld in kon zonder zweet in de handen of een zwembad-achtige echo in de oren, omdat de drukte en het rumoer van buiten me teveel werden. Zonder vooraankondiging, boem, teveel, overload, system shutdown. Dat wens ik echt niemand toe! Moraal van dit verhaal? Die is er niet, wellicht slechts het advies om je nooit gek te laten maken in en door een wereld met mensen die zoals Jezus ooit zei niet weten wat ze doen.

Dit soort overpeinzingen ligt wel ten grondslag aan wat me zo raakte toen ik bekend werd met de jeugdzorg horrorverhalen, en hoe een gevoelige kinderziel al snel verminkt raakt in dergelijke circuits. Zodoende doemen herinneringen op. Van prille jeugd tot decennia later, tot gisteren en nu.

Wij zijn het die ZELF onze grenzen dienen te bemerken en aan te geven, die zelf ons gezond verstand moeten blijven gebruiken, in een wereld die altijd hard en lelijk zal schijnen, al naar gelang onze ervaringen of houding. Ik heb het wel op eigen houtje gered, zonder opnieuw zenuwen van staal te bezitten, want die zijn niet meer nodig, als dat überhaupt zo nodig zou zijn geweest. Maar de mens heeft als het goed is een ingeboren mechanisme, een instinct dat op overlevingsmodus gaat, een strijd op leven en dood, alles of niets (zoals besproken in een van de sessies met A. de B., behalve zuigen op zijn vinger kon hij bij tijd en wijle toch ook wel iets zinnigs concluderen).

Er zijn echter ook mensen die niet sterk genoeg zijn, die verloren en verstrikt raken, of eeuwig onder een toeziend oog van hen die vooral ook maar menselijk zijn en dus fouten -kunnen- maken. Indien dit moedwillig en bewust gebeurt, zoals bij Bureau Jeugdzorg en de William Schrikker Groep en anderen... dan is het ronduit crimineel en moeten die instanties worden aangepakt. Zonder pardon.

Deze zondag mijmer ik verder over mijn Frans-Moluks bloed. En zou, als ik terug in de tijd kon reizen, graag met mijn voorouders kennismaken. Misschien dat ik de wereld zoals die vandaag is er beter door begrijp, of met hernieuwd optimisme al wat slecht is kan bestrijden.

Geen opmerkingen: