vrijdag 3 augustus 2007
Met mist meer mens
(eerder gepubliceerd op 10 maart 2007)
De kracht van een momentopname is sterk. Het leven vanuit fragmenten en momenten beleven, is alsof je fervent achter zeepbellen holt om ze vooral maar te zien spatten. Want in een enkele seconde komt alles samen.
Het was nog vroeg toen de nobele viervoeters zich meldden voor hun eerste uitje van de dag. In de straat was het stil, al hoorde je in de verte wel al een enkele auto ronken. De vogels kwetterden aarzelend maar duidelijk hoorbaar in hun element. Vooruit, laat vandaag dan maar een mooie zonnige dag worden.
Elke dag nog verbaas ik me over de schoonheid om me heen. Elke dag is anders, dat wel, maar zelfs al regent het of stormt het plastic dakgoten, wanneer ik aan mijn soepkom thee nip prijs ik mezelf toch maar mooi gelukkig met zoveel rust en ruimte.
Het maakt veel goed, want de wereld is verre van idyllisch, om van de menselijke aard nog maar te zwijgen. Als de wijzer van het gemoed niet bijster hoog op de Schaal van Nuchter scoort, dan heeft freule Mies An Troop een streepje voor. En dat laat ze zich genoeglijk smaken.
Nee, de meeste menswezens zijn onbetrouwbaar, vreselijker nog dan een kudde muggen. Kwetsender nog dan een vlucht motregenwelpen. Luier dan de doodste pier en achterbakser dan een klepperende houten brievenbus. Als het aan freule Mies lag, dan waren de kerkers van haar vaders koninkrijk gevuld met lege hoofden, rammelende magen en stinkende tenenkaas genagelden. Onverbiddellijk. Hup, in de gemakmolen met dat ongedierte, laat ze zwoegen tot ze groen en geel zien van jaloezie, oh wacht eens even, dat is nou net waarom ze uit hun felgekleurde vachtjes gescalpeerd werden. Haat en nijd en afgunst. Bah. Lelijke golven verstoren de lucht, de lucht die ik moet ademen, het verstikt tot onder de botten. Mijn wijsvinger schiet buskruidige dampen, ik ben een natuurtalent zo zeggen ze. Mijn linkerhand slaat geweldloos als in een aaiende beweging elk bezwaar tegen de vlakte. Ja, kom maar op als je durft. Hier ben ik, hier sta ik. En daar is de kerker. Ze wijst. Streng, maar rechtvaardig. Zijn dat krulspelden in haar halfgelokte haren? En is dat ruwe zijde tegen de flanken van haar typisch Tropisch postuur? Nee, niet afdwalen jij, vooruit, naar beneden met die jammerbenen van je, stuk ongelukte mottenbal met schuimgel aan je snor.
En in een oogwenk was alles verdwenen. Zomaar weg, vertrokken met de mist. Geen teken aan de scheve stoeptegel, geen spoor die naar de kerkers leidden, geen freule, geen Mies, geen An en geen Troop. En overal waar de nobele viervoeters snuffelden, wiste de mist zich in een oogwenk alsof het een ware levensvervulling was.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten